De ohmse weerstand wordt bij een gelijkstroom gemeten. Parasitaire zelfinducties en capaciteiten hebben hierdoor geen invloed op het resultaat. Zo kunnen behalve weerstanden, ook de gelijkstroom weerstand van een spoel of kabel bepaald worden, of de lekweerstand van een condensator.
De meest voor de hand liggende methode om weerstanden te meten is deze te meten met een multimeter met een weerstandsbereik. In de meeste gevallen kan hiermee een betrouwbare meting verricht worden. Alleen bij zeer laagohmige weerstanden wordt de meetfout onacceptabel door de weerstand van de gebruikte meetsnoeren en contactweerstanden. Bij hoogohmige weerstanden spelen lekweerstanden in de betrouwbaarheid van de meting. Hier wordt later verder op in gegaan.
Het principe van de weerstandsmeting wordt verduidelijkt aan de hand van de meetmethodes die in multimeters wordt toegepast.
Fig. 1: Weerstandmeting met een passieve multimeter.
De meeste modellen multimeters uitgerust met een draaispoelmeter meten de weerstand al volgt: De onbekende weerstand (Rtest) wordt in serie met een bereikweerstand (Rb) en een draaispoelmeter aangesloten is op een spanningsbron. Zie de figuur hiernaast.
De stroom die door de meter loopt is:
[A]
Hierin is te zien dat de uitslag van de wijzer, die evenredig is met de stroom, niet lineair is. Hiermee is de afwijkende schaalverdeling van dit type meters verklaard. Rd is hier de weerstand van de draaispoelmeter.
De weerstand Rm is de vervangingsweerstand van de meetsnoeren en de contactweerstanden. Aangezien deze weerstand geen vaste waarde kent, is de onzekerheid bij laagohmige weerstanden relatief groot.
Fig. 2: Weerstandmeting met een actieve multimeter.
[V]
Fig. 3: Weerstand gemeten door middel van een vierpuntsmeting.
Zoals hiervoor een aantal keer is opgemerkt mag bij het meten van laagohmige weerstanden mag de weerstand van de meetsnoeren en de contactweerstanden niet verwaarloost worden. Een waarde van 1 Ω voor deze extra geïntroduceerde weerstand is niet ongewoon. Dit is eenvoudig te controleren door een multimeter in het laagste weerstandsbereik te zetten en de meetpennen tegen elkaar te houden.
Wil men een weerstanden meten met een onzekerheid kleiner dan 1%, dan zal dit bij weerstandswaarden lager dan 100 Ω niet meer met een eenvoudige multimeter gaan.
Omdat bij de multimeter de meetstroom door de snoeren en contacten loopt veroorzaakt dit een extra spanningsval die meegemeten wordt.
Bij de vierpuntsmeting worden de circuits voor de geïnjecteerde stroom, en de spanningsmeting gescheiden gehouden.
Fig. 4: Laagohmige weerstanden meten volgens het vierpunts meet principe.
De te meten weerstand wordt aangesloten op een stroombron. Door het toepassen van een stroombron hebben de verbindingssnoeren en contactweerstanden (Rv) geen invloed op de stroom door de te meten weerstand. De spanning over de weerstand wordt gemeten met het tweede circuit. Omdat hier gemeten wordt met een voltmeter met hoogohmige ingang, zal er nagenoeg geen stroom lopen in dit deel van het circuit. De spanningsval over de meetsnoeren en contactweerstanden (Rm) is daarom dan ook verwaarloosbaar.
De weerstand kan volgens de wet van Ohm berekend worden:
[Ω]
Voor een betrouwbare meting wordt de spanning zo dicht mogelijk bij het testobject gemeten. De stroom kan aan het eind van de aansluitdraden geïnjecteerd worden.
Fig. 5: De vierpuntsmeting met gebruikmaking van een spanningsbron en een extra weerstand.
Als geen voeding beschikbaar is die in stroombegrenzingsmode kan werken, kan ook een gewone voeding gebruikt worden. Schakel daarvoor een weerstand en ampèremeter in serie met de spanningsbron. De serieweerstand moet in overeenstemming zijn met de gewenste geïnjecteerde stroom. En de stroom kan worden afgelezen van de ampèremeter.
Fig. 6: Een vierpuntsmeting met gebruikmaking van een kelvinprobe.
Duurdere multimeters zoals vele tafelmodelen kunnen naast tweepuntsmetingen ook vierpuntsmetingen verrichten aan weerstanden. Hiertoe zijn deze voorzien van een zeer nauwkeurige stroombron welke twee aansluitingen naar buiten zijn gebracht. Het tweede paar aansluitingen, "sense", zijn verbonden met een hoogohmige voltmeter. De gemeten spanning wordt intern omgerekend naar de gemeten weerstandswaarde.
Om het verbinden van de vier aansluitingen met de te meten weerstand te vergemakkelijken zijn er zogenaamde kelvinprobes in de handel. Een kelvinprobe bestaat uit twee klemmen: één voor de positieve en één voor de negatieve aansluiting. Elke klem heeft twee van elkaar geïsoleerde lippen waarvan één verbonden is met de stroombron en de andere is verbonden met de voltmeter.
Met de brug van Wheatstone kan een onbekende weerstand met een referentieweerstand vergeleken worden.
Fig. 7: De brug van wheatstone.
In principe is voor deze meetopstelling geen nauwkeurige spanningsbron en meter nodig. Echter, alle gebruikte weerstanden dienen goed bekend te zijn. De brug is te onderscheiden in twee helften: De linker tak met weerstanden Ra en de referentieweerstand Rref, en de rechter tak met Rb en de onbekende weerstand Rx. Beide helften zijn aangesloten op de spanningsbron U. Van oorsprong wordt voor het meetinstrument een draaispoel wijzermeter gebruikt waarbij de neutrale stand in het midden van de schaal ligt. Zo kunnen zowel positieve als negatieve spanningen geregistreerd worden. Een multimeter die zowel positieve als negatieve waardes kan aanwijzen is bruikbaar.
De diodes beschermen de meter tegen te hoge spanningen. Deze dienen een lage lek te hebben. Meestal zal een 1N4148 voldoen. Maar bij het meten van hoogohmige weerstanden zullen JFET diodes gebruikt moeten worden, of kunnen de diodes beter achterwege gelaten worden.
De weerstanden Ra en Rb dienen exact gelijk aan elkaar te zijn. Als de referentieweerstand Rref zo gekozen wordt dat deze exact gelijk is aan de onbekende weerstand Rx zal door beide takken dezelfde stroom lopen. De spanning over de weerstanden Ra en Rb zal daarom ook gelijk zijn, en over het meetinstrument zal geen spanning staan, en diengevolge zal er ook geen stroom door lopen.
Wijst het instrument echter een positieve spanning aan, dan betekend dit dat de spanning in de rechter tak hoger is dan in de linker. Rx is dan groter dan de referentie weerstand. Het omgekeerde: als de meter een negatieve spanning aanwijst betekend dit dat Rx kleiner is dan de referentieweerstand.
Voor de referentieweerstand wordt veelal een weerstand decadebank gebruikt. Deze bevat een groot aantal nauwkeurige weerstanden welke met draaischakelaars geselecteerd kunnen worden.
Indien geen weerstand decadebank voorhanden is en men slechts een aantal nauwkeurige weerstanden bezit kan de onbekende weerstand ook berekend worden. Dit is in principe een oneigenlijke handelswijze, maar kan soms uitkomst bieden.
Selecteer hiervoor een weerstand voor Rref die een zo klein mogelijke stroom I veroorzaakt.
Voorwaarde hierbij is wel dat de gebruikte spanning U goed bekend en stabiel moet zijn, en de inwendige weerstand van de meter (Ri) ook nauwkeurig bekend moet zijn.
Elke tak (linker en rechter) kan gezien worden als een spanningsbron met een zekere impedantie. Voor de linker zijde met de referentieweerstand geld:
[V] en
[Ω]
Aan de hand van de gemeten stroom kan nu spanning op het rechter knooppunt Uk worden berekend:
[V]
De onbekende weerstand Rx is dan:
[Ω]
Veel multimeters hebben weerstandbereiken voor zeer hoogohmige weerstanden, 200 MΩ of zelfs nog hoger. Het is de vraag of deze bereiken erg zinvol zijn. Het gevaar van meetfouten ligt hier in de lekweerstanden die kunnen ontstaan tussen de twee polen en naar de aarde. Let erop dat de meter goed droog is, er geen vuil aanwezig is en de meetsnoeren van goede kwaliteit en onbeschadigd zijn.
Fig. 8: Meetopstelling voor het meten van hoogohmige weerstanden.
Hiernaast is de meetopstelling voor hoogohmige weerstanden weergegeven. Voor een goede meting moet de weerstand Ra ongeveer in dezelfde ordegrootte liggen als de onbekende weerstand Rx. De hoogte van de voedingsspanning U moet zodanig gekozen worden dat bij een Rx van 0 Ω, de stroom die dan alleen begrenst wordt door Ra, gelijk is aan het meetbereik van de meter.
De onbekende weerstand Rx is:
[Ω]
Voor een betrouwbare meting wordt de spanning zo dicht mogelijk bij het testobject gemeten. De stroom kan aan het eind van de aansluitdraden geïnjecteerd worden.
Hieruit blijkt al dat voor een nauwkeurige meting Ra goed bekend moet zijn. Deze weerstand moet ook geschikt zijn voor de toegepaste spanning.
Indien zeer hoge spanningen gebruikt worden is het aan te bevelen om de negatieve voedingszijde te aarden. Alle punten aan de hoogspanningszijde moeten ver verwijderd zijn van objecten in de omgeving. Ook moet er op gelet worden dat er geen sproeiontladingen kunnen ontstaan.
Hiervoor zijn de belangrijkste oorzaken van meetfouten al besproken. Er zijn nog een aantal punten waarop gelet moet worden.
De weerstand is altijd temperatuursafhankelijk, gegeven door het gebruikte materiaal. Let daarom ook op de temperatuur waarbij de meting verricht wordt.
Doordat tijdens de meting een stroom door de weerstand wordt gestuurd zal deze tijdens de meting opwarmen. Maak de meetstroom daarom niet groter dan noodzakelijk is voor de nauwkeurigheid. En verricht de meting in een zo kort mogelijke tijd.
De hierboven beschreven metingen worden allen verricht bij een gelijkstroom. De ohmse weerstand is echter een frequentieafhankelijke component. Hoe deze afhankelijkheid gemeten kan worden wordt beschreven onder het kopje Parasitaire eigenschappen.